Home » PSALMEN BIDDEN » psalm 119,XIX-XX-XXI-XXII

psalm 119,XIX-XX-XXI-XXII

         XIX (Coph)
 
145 Ik roep uit de grond van mijn hart: Heer, verhoor mij:
            aan uw beschikkingen blijf ik trouw.
146 Ik roep tot U: kom mij redden;
            wat Gij verordent zal ik steeds doen.
147 Reeds vroeg in de ochtend roep ik uw hulp in,
            ik stel mijn hoop op uw woord.
148 Mijn ogen zijn wakker al voor de tijd,
            dan denk ik over uw uitspraken na.
149 Aanhoor mij, Heer, in uw goedheid,
            en laat mij leven zoals Gij bepaalt.
150 Die mij achtervolgen komen steeds nader,
            ze houden zich ver van uw wet.
151 Maar Gij zijt voor ieder nabij, Heer,
            betrouwbaar is alles wat Gij gebiedt.
152 Reeds lang weet ik van uw verordeningen
            dat Gij ze voor eeuwig hebt vastgesteld.
 
         XX (Res)
 
153 Aanschouw mijn ellende en red mij,
            omdat ik uw wet niet vergeet.
154 Verdedig mijn zaak en help mij
            en schenk mij het leven zoals Gij belooft.
155 Voor zondaars is er geen redding,
            omdat zij geen acht slaan op wat Gij beschikt.
156 Onmetelijk, Heer, is uw goedheid,
            laat mij dan leven zoals Gij bepaalt.
157 Met velen zijn mijn vervolgers en kwellers,
            toch wijk ik van wat Gij verordent niet af.
158 Hun trouweloosheid vervult mij met walging,
            want om uw uitspraken geven zij niet.
159 Zie, Heer, ik heb uw bevelen lief;
            bewaar mijn leven in uw erbarmen.
160 Uw woord berust op betrouwbaarheid
            en eeuwig is wat Gij rechtvaardig bepaalt.
 
         XXI (Sin)
 
161 Vorsten vervolgen mij zonder reden,
            maar slechts voor uw woord is mijn hart beducht.
162 Ik ben gelukkig met uw beloften
            als iemand die kostbare schatten vond.
163 Ik haat en verafschuw het onrecht,
            uw wet heb ik lief.
164 Ik prijs U zeven maal elke dag,
            omdat Gij oordeelt naar recht.
165 Zij die uw wet liefhebben leven in vrede,
            zij struikelen niet op hun weg.
166 Ik stel mijn vertrouwen, Heer, op uw bijstand,
            ik doe al wat Gij gebiedt.
167 Mijn geest neemt in acht alles wat Gij verordent,
            dat heb ik van harte lief.
168 Ik houd mij aan wat Gij gebiedt en voorschrijft,
            want al mijn wegen zijn U bekend.
 
         XXII (Tau)
 
169 Heer, laat mijn geroep U bereiken
            en leer mij te doen naar uw woord.
170 Mijn smeekgebed moge U vinden;
            bevrijd mij zoals Gij belooft.
171 Een loflied moet van mijn lippen komen,
            omdat Gij mij uw beschikkingen leert.
172 Uw uitspraken moet mijn tong bezingen,
            want al uw geboden zijn goed.
173 Uw hand zij altijd bereid mij te helpen,
            omdat ik mij aan uw bevelen houd.
174 Mijn heil zoek ik enkel bij U, Heer,
            mijn vreugde vind ik in uw wet.
175 Mijn geest moge leven en altijd U prijzen
            en steunen op wat Gij bepaalt.
176 Ik ben als een dwalend schaap, kom mij zoeken,
            want uw geboden vergeet ik niet.