Home » Boek van Andre Louf, Heer, leer ons Bidden » Zesde Hoofdstuk Het Woord vlees geworden

ZESDE HOOFDSTUK

HET WOORD VLEES GEWORDEN

 

“En het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond” (Joh. 1,14). Het Woord dat bij de

Vader en de geest woonde, Woord waarin en door wie de Vader alles gemaakt heeft, dit Woord

heeft de Vader in Zijn heilsplan mens doen worden. Het Woord is één van ons geworden. In Jezus

hebben mens en God elkaar omhelsd. God, dat is op de eerste plaats de Vader, stuurt de Zoon uit,

het dierbaarste wat een vader bezit, zijn beeld, zijn gelijkenis. Met de menswording van God heeft

onze verlossing een aanvang genomen. “Wij mensen dienen de werken van het vlees” zoals Paulus

het in een van zijn brieven uitdrukt (Ef. 2,3). Wij waren ver van God verwijderd, wij waren niet meer

in vrede met God. Zijn Woord bereikte ons moeilijk en wij konden het ternauwernood opvangen.

Maar in zijn onovertroffen liefde heeft Eén van de Drievuldigheid zich met het vlees van de zonde

bekleed. Jezus is het Lam Gods dat de zonden van de wereld draagt en ze wegneemt (Joh. 1,29). De

goede Herder is uitgetrokken om te zoeken wat verloren was, dat wat Hij meer dan alles liefhad (Mt.

18,12). In deze liefde is Hij tot het uiterste gegaan, tot de dood toe (Fil. 2,8). Nadat hij in de Hof van

Olijven Zijn doodsstrijd uitvocht – Zijn zweet werd als druppels bloed die op de aarde vielen – hebben de mensen Hem aan het kruis genageld en is Hij gestorven : liefde tot het uiterste.

In het lichaam van Christus is ons lichaam-der-zonde aan het kruis genageld. In de dood van Jezus

sterft het. De zonde van ons lichaam is overwonnen en haar kracht is in het vlees teniet gedaan

(Rom. 8,3). Want de almacht van de Vader heeft Jezus uit de dood opgewekt; Hem met een nieuw

lichaam bekleed waarover de dood geen macht meer heeft (Rom. 6,9). Zijn menselijk lichaam is nu

vol van de glorie van God, doordrenkt van de Geest. Ons lichaam kan, dank zij het Pascha dat één van

ons heeft doorgemaakt, uit de Geest herboren worden tot geest. Het kan nu zelf drager worden van

de Geest. Want was ons lichaam vroeger een lichaam-van–vlees, het kan nu een lichaam-van pneuma

worden, dit is een geestelijk lichaam.

Ook in ons lichaam, eenmaal door de geest ingepalmd, moet de bron van levend water ontspringen.

Zoals het ‘opgeheven’ lichaam van Jezus aan het kruis (Joh. 12,32), in dood en verrijzenis, bron

wordt van de Geest, gelijk de rots waaruit Mozes stromend water lossloeg voor de dorstige

woestijngangers, zo wordt ook diezelfde Geest in ons eigen lichaam een immer opborrelende bron

tot eeuwig leven. Want ook ons lichaam is woonstede van de Geest en tempel van onophoudelijk

gebed.

Het Woord van God dat wij aandachtig beluisteren bevrucht dus niet alleen ons hart, het moet ook

gedijen in ons lichaam. In onze ledematen moet het Woord vlees worden. Ons ganse wezen, geest,

hart en lichaam, moet in de kringloop van het Woord opgenomen worden.