Home » PSALMEN BIDDEN » Psalm 119, I-II-III
Psalm 119  is een lang aaneengeschakeld gebed van de vrome koning
David, aan de Heer zijn God, waarin hij zijn hart geheel bij Hem
uitstort, en zijn noden en verlangens overvloedig aan Hem bekend maakt.
Hij zoekt genade, troost en hulp bij de Heer.
Hij is de enige houvast in het leven, ook in die van ons,
bijzonder in een tijd van algemene ontaarding en atheïsme.
 

Psalm 119, I-II-III

I(Alef)
 
1. Gelukkig degene wier levensweg rein is
        die voortgaan volgens de wet van de Heer.
2. Gelukkig die acht slaan op wat Hij verordent.
        Hem zoeken met heel hun hart;-
3. Die geen ongerechtigheid plegen,
          maar altijd zijn wegen gaan.
4. Gij hebt uw bevelen gegeven
         opdat men ze trouw volbrengt;-
5. Mogen mijn wegen recht zijn,
         gericht op wat gij beschikt.
6. Dan zal ik nimmer beschaamd staan,
          omdat ik op al uw geboden let.-
7. Ik zal U in alle oprechtheid loven,
          aanvaardend wat Gij hebt bepaald.
8. Aan Uw beschikkingen zal ik mij houden;
           laat Gij mij dan niet alleen.
 
II (Beth)
 
  9. Hoe houd men van jongsaf zijn weg onbedorven?
          door acht te slaan op uw woord.
10. Met heel mijn hart richt ik mij tot U;
          laat mij niet afwijken van uw geboden.-
11. Uw uitspraken berg ik diep in mijn hart
          om niet tegen U te misdoen.
12. Gij zijt lofwaardig Heer,
          leer mij uw beschikkingen kennen.-
13. Mijn lippen verkondigen allerwegen
           wat door uw mond is bepaald.
14. Mijn vreugde vind ik in wat Gij verordent,
           dat is mijn rijkste bezit.-
15. Ik houd uw bevelen altijd voor ogen
          en let op de weg die Gij wijst.
16. Wat Gij hebt beschikt is mij welkom;
          uw woorden vergeet ik nooit.
 
III (Ghimel)
 
17. Vergun uw dienaar dat hij mag leven,
           dan houd ik mij steeds aan uw woord.
18. Ontsluit mijn ogen om te aanschouwen,
           de heerlijkheid van uw wet.-
19. Een vreemdeling ben ik op aarde,
         verberg uw gebod niet voor mij.
20. Mijn geest wordt verteerd van verlangen,
           naar alles wat Gij hebt bepaald.-
21. Gij zult de vermetelen straffen
           die afwijken van uw gebod.
22. Verwijder van mij alle smaad en schande,
           omdat ik al wat Gij verordent volbreng.-
23. Al spannen ook vorsten tegen mij samen,
           uw dienaar geeft acht op wat Gij beschikt.
24. Ik neem uw verordeningen ter harte,
          zij geven mij goede raad.
 

Vervolg psalm 119, IV-V-VI