Het Heiligdom van binnen : ons hart.

 

Van deze stille liturgie wordt het hart geleidelijk aan het Heilige der Heiligen. Dit is de bekroning van

het proces dat we in de vorige hoofdstukken beschreven. Het aanvankelijk nog slapende hart werd

eerst door het Woord opgezocht en gewekt. Bevrucht door het Woord kwam het tot volle wasdom.

Nu in het Woord opgenomen, wordt het hart gewijd tot de tempel van de Woorddienst in de meest

oorspronkelijke betekenis van deze uitdrukking : “Het hart dat vrij komt van alle gedachten, en door

de Heilige Geest zélf bewogen wordt, is een ware tempel geworden, nog vóór het einde der tijden.

De liturgie wordt er geheel volgens de Geest gecelebreerd. Wie deze staat nog niet bereikt heeft, zal

misschien, dankzij andere deugden, een goede bouwsteen zijn voor deze tempel. Maar hij is zélf niet

de tempel van de Geest, noch zijn hogepriester”, schrijft de heilige Gregorius van de Sinaï, een

byzantijnse auteur die in het begin van de 14e eeuw het contemplatieve monarchisme op de Athosberg

opnieuw tot hoge bloei bracht. 11.

Bi het beschrijven van dit inwendige heiligdom doen oude teksten vaak een beroep op het

vocabularium van de architectuur. Het hart is een huis van binnen (domus interior), de tent

(tabernaculum) van het verbond, 12. de tempel van God in ons, zodat God er thuis is en ons nooit meer

verlaten kan omdat Hij zichzelf niet kan verlaten. 13. Het hart is ook een geheim woonvertrek

(secretum), een binnenvertrek (cubile). 14. Het bevat een voorhof (praetorium), 15. verborgen hoekjes (secretior recessus) 16. en een diepste diep (penetraties). 17.

Een complete cultus wordt in het hart gecelebreerd, zij het dan onzichtbaar en geheel inwendig, met

een geestelijk priesterschap en een onbloedig offer. Dit priesterschap van het gebed mag men niet

verwarren met het priesterschap dat als sacrament door Christus werd ingesteld. Het is een vorm

van het doopselpriesterschap dat ieder christen kan uitoefenen, en waardoor hij de genade van zijn

doopsel beleeft. Vooral in de teksten die opklimmen tot de oudste monniken uit Mesopotamië en

Syrië wordt dit beeld tot in alle details uitgewerkt. De rubrieken en voorschriften van deze geestelijke

liturgie worden ontleend aan het ceremonieel van de oudtestamentische cultus. Deze vindt immers

haar voltooiing in het onophoudelijk gebed van de kluizenaar. De reeds boven aangehaalde hymne

van de heilige Efrem geeft hiervan een zeer mooi specimen :

Zij zijn priester gewijd voor zichzelf, en offeren hun ascese…

Vasten is de offergave, bidden is de nachtwake, boete en geloof zijn het heiligdom.

Hun overwegingen zijn het brandoffer, hun celibaat, het vredesoffer.

Hun zuiverheid is de voorhang, hun nederigheid, een welriekende wierook…

Hun zuiver hart is de hogepriester, hun overweging, de priester die voorgaat.

Zonder ophouden dragen hun lippen de offerande op: het gebed dat hunkert naar rust.

In de bergen bezingen zij de glorie, het volmaakte offer voor de Majesteit.

De lofzang die opstijgt uit de grotten, is het verborgen offer voor God.

Hun diepste hart is het Heilige der Heiligen, waar het zoenaltaar staat opgericht.

 

11. Centurie, 7.

12. Adam Scot, De quadripertito exercitio cellae, 24.

13. De interiori domo, 5.

14. Grimlaïcus, Regula solitariorum, 32.

15. Adam Scot, ibid. 28.

16. Willem van S. Thierry, Gulden Brief, II, 1.17

17. De interiori domo, 82