Home » Overweging Paus Franciscus vrijdag 27 maart » BOODSCHAP VAN DE HEILIGE VADER FRANCISCUS VOOR DE 57STE WERELDGEBEDSDAG VOOR ROEPINGEN (3 MEI 2020)

BOODSCHAP VAN DE HEILIGE VADER FRANCISCUS VOOR DE 57STE WERELDGEBEDSDAG
VOOR ROEPINGEN  (3 MEI 2020)

De woorden van de roeping
Geliefde broeders en zusters,
Op 4 augustus van het afgelopen jaar heb ik bij de 160ste verjaardag van de dood
van de heilige pastoor van Ars een Brief aan de priesters willen aanbieden, die
iedere dag hun leven besteden aan de oproep die de Heer ten dienste van het Volk
van God tot hen gericht heeft.
Bij die gelegenheid heb ik vier sleutelwoorden gekozen -verdriet, dankbaarheid,
moed en lof - om de priesters te bedanken en hun ambt te ondersteunen. Ik ben van
mening dat vandaag, bij deze 57ste Wereldgebedsdag voor roepingen, deze woorden
weer hernomen kunnen worden en gericht tot heel het Volk van God tegen de
achtergrond van een passage in het evangelie die ons de bijzondere gebeurtenis
vertelt die Jezus en Petrus overkwam tijdens een stormachtige nacht op het meer
van Tiberias (vgl. Mat. 14, 22-33).
Na de broodvermenigvuldiging, die de menigte enthousiast had gemaakt, geeft
Jezus de zijnen opdracht scheep te gaan en Hem naar de andere oever voor te
gaan, terwijl Hij afscheid zou nemen van de menigte. Het beeld van deze overtocht
op het meer roept op de een of andere manier de reis van ons bestaan op. De boot
van ons leven gaat immers langzaam voort, steeds onrustig, omdat hij op zoek is
naar een gelukkige landing, bereid om de gevaren en de kansen van de zee onder
ogen te zien, maar ook ernaar verlangend om van de stuurman een koerswijziging te
krijgen die uiteindelijk leidt tot de juiste koers. Soms kan het echter gebeuren dat hij
verdwaalt, zich laat verblinden door illusies in plaats van de lichtende vuurtoren te
volgen die hem naar de veilige haven voert, of dat hij wordt uitgedaagd door de
tegenwind van de moeilijkheden, de twijfels en de angsten.
Zo gebeurt het ook in het hart van de leerlingen, die, geroepen als ze zijn om de
Meester van Nazareth te volgen, moeten besluiten naar de andere oever te gaan en
moedig ervoor moeten kiezen de eigen zekerheden achter te laten en de Heer te
volgen. Dit avontuur is niet vreedzaam: de nacht komt eraan, er waait een
tegenwind, de boot wordt heen en weer geslingerd door de golven en de angst het
niet te halen en niet opgewassen te zijn tegen de roeping dreigt hen te overweldigen.
Het evangelie zegt ons echter dat wij in het avontuur van deze, moeilijke reis niet
alleen zijn. De Heer loopt over het woelige water, waarbij Hij als het ware de
dageraad in het holst van de nacht dwingt op te komen, en bereikt zijn leerlingen,
nodigt Petrus uit om Hem tegemoet te komen, redt Hem, wanneer Hij ziet dat hij
dreigt te verdrinken, en stapt uiteindelijk in de boot en zorgt ervoor dat de wind gaat
liggen.
Het eerste woord van de roeping is dus dankbaarheid. Varen naar de juiste koers is
niet een opdracht die alleen aan onze krachten is toevertrouwd, noch hangt het
uitsluitend af van de trajecten die wij kiezen om af te leggen. De verwezenlijking van
onszelf en de plannen in ons leven zijn niet de optelsom van wat wij beslissen binnen
een geïsoleerd “ik”; het is integendeel vóór alles het antwoord op een roeping die tot
ons komt van Boven. Het is de Heer die ons de oever wijst waar wij naar toe moeten
gaan en die ons allereerst de moed geeft in de boot te stappen; Hij is het die, terwijl
Hij ons roept, onze stuurman wordt om ons te begeleiden, ons de richting te tonen, te
verhinderen dat wij op de rotsen van de besluiteloosheid stranden en die ons in staat
stelt zelfs over het woelige water te lopen.
Iedere roeping komt voort uit de liefdevolle blik waarmee de Heer ons tegemoet is
gekomen, zelfs terwijl onze boot een prooi van de golven was. “Meer dan onze keuze
is het een antwoord op de oproep van de Heer tot belangeloosheid” (Brief aan de
priesters, 4 augustus 2019); daarom zullen wij erin slagen deze roeping te
ontdekken en hiervoor te kiezen, wanneer ons hart zich openstelt voor de
dankbaarheid en ons hart van het voorbijkomen van God in ons leven gebruik weet
te maken.
Wanneer de leerlingen Jezus, lopend over het water, zien naderen, denken zij
aanvankelijk dat het om een spook gaat en zijn ze bang. Maar Jezus stelt hen
onmiddellijk gerust met een woord dat ons leven en de weg van onze roeping altijd
moet begeleiden: “Heb moed, Ik ben het” (vgl. v. 27). Dat is precies het tweede
woord dat ik u zou willen meegeven: moed.
Wat ons vaak verhindert te gaan, te groeien, de weg te kiezen die de Heer voor ons
uitzet, zijn de spoken die in ons hart rondwaren. Wanneer wij geroepen worden om
onze veilige oever te verlaten en voor een levensstatus - zoals het huwelijk, het
gewijde priesterschap, het godgewijde leven - te kiezen, doet de eerste reactie zich
vaak voor als het “spook van ongeloof”: Het is onmogelijk dat deze roeping voor mij
is; gaat het werkelijk om de juiste weg? Vraagt de Heer dit werkelijk juist aan mij?
En langzamerhand groeien in ons al die overwegingen, die rechtvaardigingen en die
berekeningen die ons het elan doen verliezen, ons verwarren en ons verlamd
achterlaten op de oever van vertrek; wij denken dat wij het bij het verkeerde eind
hebben, er niet tegen opgewassen zijn, eenvoudigweg een spook hebben gezien dat
verjaagd moet worden.
De Heer weet dat een fundamentele levenskeuze - zoals die om te trouwen of zich
op een bijzondere wijze toe te wijden aan zijn dienst - moed vereist. Hij kent de
vragen, de twijfels en de moeilijkheden die de boot van ons hart heen en weer
bewegen en daarom stelt Hij ons gerust: “Wees niet bang, Ik ben bij je!” Het geloof in
zijn aanwezigheid die ons tegemoet komt en begeleidt, ook wanneer de zee
stormachtig is, bevrijd ons van de lusteloosheid die ik bij gelegenheid “zoetsmakende
droefheid” (Brief aan de priesters, 4 augustus 2019) heb genoemd, dat wil zeggen
de innerlijke moedeloosheid die ons blokkeert en het ons onmogelijk maakt om de
schoonheid van de roeping te proeven.
In de Brief aan de priesters heb ik ook gesproken over verdriet, maar hier zou ik dit
woord anders willen vertalen en verwijzen naar moeite. Iedere roeping vereist inzet.
De Heer roept ons, omdat Hij van ons een Petrus wil maken, ons in staat wil stellen
om “over het water te lopen”, dat wil zeggen ons leven in eigen hand te nemen om
het ten dienste te stellen van het evangelie, op een concrete wijze en in het leven
van iedere dag, zoals Hij ons aangeeft, en vooral in de verschillende vormen van de
roeping als leek, als priester en tot het godgewijde leven. Maar wij lijken op de
apostel: wij hebben het verlangen en het elan, wij zijn echter getekend door
zwakheden en angsten.
Als wij ons laten meeslepen door de gedachte aan de verantwoordelijkheden die ons
te wachten staan - in het huwelijksleven en in het priesterlijk dienstwerk - of aan de
tegenspoed die zich zal voordoen, dan zullen wij snel de blik van Jezus afwenden en
zoals Petrus gevaar lopen te verdrinken. Het geloof zal het ons integendeel, hoewel
in broosheid en armoede, mogelijk maken de verrezen Heer tegemoet te gaan en
ook de stormen te overwinnen. Hij reikt ons immers de hand, wanneer wij door
vermoeidheid of angst dreigen te zinken en geeft ons het nodige elan om onze
roeping met vreugde en enthousiasme te beleven.
Wanneer Jezus in de boot stapt, gaat de wind uiteindelijk liggen en bedaren de
golven. Het is een mooi beeld van hetgeen de Heer in ons leven en in het tumult van
de geschiedenis bewerkstelligt, vooral wanneer wij ons in een storm bevinden: Hij
beveelt de tegenwind te zwijgen en de krachten van het kwaad, van de angst, van de
berusting hebben geen macht meer over ons.
Bij de specifieke roeping die wij geroepen zijn te beleven, kan deze tegenwind ons
afmatten. Ik denk aan hen die belangrijke taken in het burgerlijke leven op zich
nemen, aan de echtgenoten die ik niet toevallig graag “de moedigen” noem, en in het
bijzonder aan hen die kiezen voor het godgewijde leven en het priesterschap. Ik ken
uw inspanning, de eenzaamheid die soms het hart bezwaart, het gevaar van de
gewoonte die langzamerhand het brandend vuur van de roeping uitblust, de last van
de onzekerheid en de onbestendigheid van onze tijd, de angst voor de toekomst.
Heb moed, wees niet bang! Jezus staat naast ons en als wij Hem erkennen als enige
Heer van ons leven, reikt Hij ons de hand en grijpt ons vast om ons te redden.
En dan opent ons leven zich, hoewel temidden van de golven, voor de lof. Dat is het
laatste woord van de roeping en wil ook een uitnodiging zijn om de innerlijke houding
van de Allerheiligste Maria te hebben: dankbaar voor de blik van God die op haar
rust door angst en onrust in geloof toe te vertrouwen, door moedig de roeping te
aanvaarden. Zij heeft van haar leven een eeuwige lofzang voor de Heer gemaakt.
Dierbaren, ik wens dat de Kerk vooral op deze dag, maar ook in het gewone
pastorale handelen van onze gemeenschappen deze weg ten dienste van de
roepingen gaat en daarbij een bres slaat in het hart van iedere gelovige, opdat ieder
dankbaar de oproep kan ontdekken die God tot hem richt, de moed kan vinden om
“ja” te zeggen, de vermoeidheid kan overwinnen in het geloof in Christus en ten
slotte zijn eigen leven kan aanbieden als een lofzang voor God, voor de broeders en
zusters en heel de wereld. Moge de Maagd Maria ons begeleiden en voor ons ten
beste spreken.
Rome, de Sint Jan van Lateranen, 8 maart 2020, Tweede zondag van de
Veertigdagentijd
Franciscus
                                                           Vertaling: drs. H.M.G. Kretzers
                                                           Eindredactie. A.Kruse, MA
                                                           Copyright: Liberia Editrice Vaticana/SRKK